Forensisch DNA-onderzoek

DNA (Deoxyribo Nucleic Acid, in het Nederlands desoxyribonucleïnezuur) is de drager van erfelijke eigenschappen. DNA bestaat uit zeer lange moleculen en zit in de kernen van bijna alle lichaamscellen. In Nederland is 1 september 1994 een historische datum: op die dag werd het gebruik van DNA-onderzoek voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten in het Wetboek van Strafvordering geïntroduceerd.

Standaard onderzoek wordt autosomaal DNA-onderzoek genoemd; zie daarvoor hieronder. Daarnaast maken de forensische laboratoria in toenemende mate gebruik van Y-chromosomaal DNA-onderzoek en mitochondriaal DNA-onderzoek.

Elke cel hetzelfde DNA

dnaElk DNA-molecuul is samengesteld uit twee ketens van bouwstenen, die in een dubbele spiraal met elkaar zijn vervlochten. Elke bouwsteen in de ene keten is met een bouwsteen in de andere keten verbonden.In elke celkern is het DNA verdeeld over 46 chromosomen, die in paren voorkomen. Van elk paar is één chromosoom (DNA-molecuul) overgeërfd via de (spermacel van de) vader, het andere via de (eicel van de) moeder. Er zijn 22 paren van zogenoemde autosomale chromosomen (met het autosomale DNA) en één paar geslachtschromosomen. De geslachtschromosomen bij mannen bestaat uit een X- en een Y-chromosoom en worden weergegeven als XY. Vrouwen hebben twee X-chromosomen, weergegeven als XX. In elke celkern is de erfelijke informatie, het DNA, dus verdeeld over 23 chromosoomparen. Naast het DNA in de celkern is er een zeer geringe hoeveelheid DNA in de mitochondriën van de cel. Dit is het mitochondiale DNA. Mitochondriën voorzien de cel van energie. Het DNA is hetzelfde in alle lichaamscellen van een persoon – ze zijn immers allemaal afkomstig van één stamcel, de door de spermacel bevruchte eicel. Dit is belangrijk voor forensisch onderzoek. Hierdoor kan het DNA in wangslijmvliescellen (het tegenwoordig gebruikelijke referentiemonster dat bij personen wordt afgenomen voor DNA-onderzoek) worden vergeleken met het DNA dat is verkregen uit andere lichaamscellen, bijvoorbeeld uit bloed, sperma, speelsel, haren en huidcellen.


Autosomaal DNA-profiel en hypervariabele gebieden

dna-hypervariabele gebiedenAutosomaal (of standaard) DNA-onderzoek betreft het onderzoek van het DNA van minstens zestien verschillende autosomale hypervariabele gebieden (loci). Tevens wordt het geslacht van de desbetreffende persoon vastgesteld. Het resultaat is een autosomaal DNA-profiel.

Een klein deel van het DNA (ongeveer 2 procent) bevat informatie over erfelijke eigenschappen, zoals oog-, haar- en huidskleur, lichaamslengte, bloedgroep en de vorm van de oorlellen. De rest (98%) zijn per persoon sterk verschillend; dit zijn de hypervariabele gebieden (loci). Het standaard forensische DNA-onderzoek richt zich op een aantal van deze gebieden. Informatie over bijvoorbeeld ziektes of levensverwachting kun je daardoor niet uit een forensisch DNA-profiel halen. Het resultaat van de analyse van de hypervariabele gebieden is het DNA-profiel. Een plaatje met pieken, met onder de pieken getallen die de DNA-kenmerken van de hypervariabele gebieden weergeven. Een match van het DNA-profiel van een persoon met het DNA-(meng)profiel van een spoor betekent dat voor de betreffende loci geldt dat alle DNA-kenmerken van die persoon ook aanwezig zijn in het DNA-(meng)profiel van het het spoor.

Als van een spoor een DNA-profiel is verkregen waarin een of meer loci méér dan twee DNA-kenmerken hebben, is er sprake van een DNA-mengprofiel. Het spoor bestaat dan uit celmateriaal van meer dan één persoon.

DNA bij misdaad- en identificatieonderzoek

Alec Jeffreys ontdekte dat DNA een essentiële rol zou kunnen vervullen bij misdaad- en identificatieonderzoek: uit het dna kun je een persoonsspecifieke DNA-fingerprint, het DNA-profiel, bepalen. Hét Eureka-moment vond plaats op 10 september 1984, om 9.05 uur. Jeffreys ontdekte een techniek om gebieden van het DNA zichtbaar te maken die van persoon tot persoon verschillen, de zogeheten hypervariabele gebieden. Gebieden op het DNA die buiten de genen liggen en bestaan uit herhalingen van korte stukjes DNA. Het aantal herhalingen (en daardoor de lengtes van deze gebieden) verschilt sterk van persoon tot persoon. Kenmerkend voor ieder individu, net als de vingerafdruk. Een streepjescode.

Voorheen werd er biologisch onderzoek gedaan naar de erfelijke factoren; bloedgroepen en bepaalde eiwitten. Maar die zijn niet, zoals DNA, per persoon verschillend. Niet persoonsonderscheidend. Sommige types van een eiwit komen bijvoorbeeld al voor bij 50% van de bevolking. Die wijzen alleen uit dat een verdachte tot dezelfde groep behoort als de dader. Met de nieuwe methode konden misdrijven worden herleid tot specifieke individuen, en niet tot groepen.

Niet meer weg te denken

De vondst van Jeffreys had verstrekkende gevolgen: forensisch DNA-onderzoek is inmiddels niet meer weg te denken uit onze samenleving, in Nederland wordt het  jaarlijks ingezet bij tienduizenden misdrijven en honderden identificatieonderzoeken. In 2013 ontving het NFI 7500 aanvragen voor DNA-onderzoek in zware misdaadzaken, 16.5000 aanvragen voor DNA-onderzoek in volumemisdrijven (bijvoorbeeld inbraken) en 25.000 aanvragen voor DNA-onderzoek van referentiemateriaal van personen, zoals verdachten, veroordeelden, slachtoffers en getuigen. In totaal werden hierbij in 2013 150.000 DNA-profielen verkregen en geanalyseerd.

Forensisch DNA-onderzoek is van belang bij het:

  1. vinden van een dader
  2. vrijpleiten van een verdachte
  3. identificeren van onbekende dode

De definitie van DNA-onderzoek in het Wetboek van Strafvordering, artikel 138a Sv, luidt: Onder DNA-onderzoek wordt verstaan het onderzoek van celmateriaal dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen of het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte of het onbekende slachtoffer of het vaststellen van verwantschap.

Verruimingen wetgeving

Op 1 april 2012 komt er nieuwe DNA-wetgeving in het strafrecht: de toevoeging van DNA-verwantschapsonderzoek. Hiermee wordt later dat jaar de moord op Marianne Vaatstra opgelost.
Het is de vierde grote wetswijziging sinds forensisch DNA-onderzoek bij wet mogelijk werd op 1 september 1994.
Verruiming 1: 2001, DNA is dan mogelijk voor misdrijven waarop een maximale gevangenisstraf staat van vier jaar of meer
Verruiming 2: 2003, DNA-onderzoek van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken
Verruiming 3: 2005, Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
Verruiming 4: 2012, DNA-verwantschapsonderzoek wordt mogelijk

Het Nederlands Forensisch Instituut

Vanaf 1989 is Nederland zelf forensisch onderzoek gaan verrichten bij het Gerechtelijk Laboratorium, de voorloper van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). (In 1999 fuseerden het Gerechtelijk Laboratorium en het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie tot het NFI.) Als een van de eerste laboratoria in de wereld dat DNA-onderzoek in strafzaken ging uitvoeren. Nog steeds toonaangevend! NFI heeft drie kerntaken: onderzoek in strafzaken, uitvoering van research & development, en dienstdoen als kennis- en expertisecentrum.

Niet autosomaal DNA-onderzoek

Naast autosomaal DNA-onderzoek maken de forensische laboratoria in toenemende mate gebruik van Y-chromosomaal DNA-onderzoek en mitochondriaal DNA-onderzoek. Een man heeft hetzelfde Y-chromosomale DNA-profiel als zijn overgrootvader in de mannelijke lijn – zie de afbeelding rechts. Mitochondriaal DNA daarentegen, erft via de eicel over van moeder op kind. Een match tussen mitochondriale DNA-profielen vertelt daardoor iets over mogelijke verwantschap in de moederlijke lijn. Alle zoons en dochters van een moeder hebben  in de regel hetzelfde mitochondriale DNA-profiel. Beide vormen van onderzoek kunnen een rol spelen bij DNA-verwantschapsonderzoek. Doordat vader en zoons hetzelfde Y-chromosomaal DNA hebben, en moeder en kinderen (zoons en dochters) hetzelfde mitochondriaal DNA hebben, kan men deze technieken (als aanvullend bewijs) gebruiken bij de identificatie van (onherkenbare) onbekende overleden personen.
Meer details en voorbeelddossiers op de pagina’s over Y-chromosomaal DNA-onderzoekmitochondriaal DNA-onderzoek en verwantschapsonderzoek.
y-chromosomaal dna-onderzoek mitochondriaal dna-onderzoek

Implicaties

Naast de implicaties bij het DNA van een eeneiige tweeling, zijn er ook implicaties bij het DNA-profiel van iemand die stamceltransplantatie heeft ondergaan. Zij hebben naast hun eigen DNA ook DNA van de stamceldonor. Twee DNA-profielen: het bloed van deze persoon heeft het DNA-profiel van de donor, andere cellen zoals sperma, speeksel, huid en haren hebben het DNA-profiel van de persoon zelf. Een referentiemonster van wangslijmvlies zal vrijwel altijd een DNA-mengprofiel bevatten, omdat hij het afnemen en schrapen langs de binnenkant van de wangen ook geringe hoeveelheden bloedcellen worden meegenomen.
Deze implicaties voor het forensisch DNA-onderzoek gelden niet voor een bloedtransfusie (van rode bloedcellen). Rode bloedcellen hebben geen kern, en dus geen DNA.

Belangrijke bronnen teksten op deze website: documenten NFI (waaronder het boek De Essenties van forensisch biologisch DNA-onderzoek) en het boek Kroongetuige DNA van Lex Meulenbroek en Paul Poley (2014).

Advertenties

2 gedachtes over “Forensisch DNA-onderzoek

  1. Heeft uw zichzelf weleens verdiept dat DNA wat uw als “wondermiddel” neerzet zeer makkelijk te vervalsen is. Type maar in op Google “DNA” “vervalsen” je krijgt geen Bulshit maar keiharde feiten. Uit onderzoek uit Isreal bijkt dat Dna zeer makkelijk te vervalsen is.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s